Banner Beheercommissie Natuur LSO - Vilda / Yves Adams - Groot Rietveld

Evaluatie

In dit onderdeel wordt jaarlijks een globaal besluit of evaluatie geformuleerd over het kader, de werking, de gebieden en de resultaten van de monitoring. Wat betreft de monitoring, heeft deze evaluatie momenteel betrekking op de monitoringsresultaten van 2015. De gegevens van het broedseizoen 2016 zijn binnenkort beschikbaar.

In de voorbije jaarverslagen van 2003 tot en met 2012 werd telkens afgetoetst in welke mate reeds aan de doelstellingen van de compensatiematrix voor het Deurganckdok en het Historisch Passief is voldaan. Deze compensatiedoelstellingen geven aan welke oppervlaktes van welke habitattypes nodig zijn om op te vangen wat verloren ging bij het Deurganckdokproject, en in welke gebieden deze gerealiseerd kunnen worden.

Vermits een groot deel van de compensaties bedoeld is voor vogels, werden door het INBO expliciete doelstellingen voor broedvogels opgesteld voor de compensaties voor het Deurganckdok. Hiervoor werd uitgegaan van een inschatting van de aantallen die aanwezig waren voor de start van de werken aan het Deurganckdok, gebaseerd op het MER. Een beschrijving van de berekening van deze aantallen werd opgenomen in een vroeger jaar­rapport (Spanoghe et al. 2005). Het behalen van deze compensatiedoelstellingen vermijdt dus verdere achteruitgang van de beschermde soorten en leefgebieden ten opzichte van de toestand vóór de ingrepen afgedekt door het compensatieplan.

Om te evalueren of deze doelstellingen worden gehaald, wordt de toename van de aan­tallen broedparen ten opzichte van het eerste monitoringjaar (2003) bepaald en samengeteld. Het jaar 2003 is een goed referentiejaar omdat toen nog geen enkel compensatiegebied was in­gericht. 

De gebieden die mee in rekening werden gebracht zijn de compensatiegebieden die werden aangeduid als compensatie voor het Deurganckdok, de site Deurganckdok zelf, de aanvullende strand- en plasgebieden, en Rietveld Kallo omdat daar een deel compensatie voor Steenlandpolder en Haasop is voorzien.

De Europese natuurdoelen of 'instandhoudingsdoelstellingen' gaan een stap verder dan de hierboven bedoelde compensatiedoelen. Deze bepalen welke aantallen van beschermde soorten behaald moeten worden om te garanderen dat de speciale beschermingszones succesvol hun rol kunnen blijven vervullen in het Europese Natura-2000 netwerk. Dit is de taakstelling die elke lidstaat heeft om te voldoen aan de Europese richtlijnen rond soortbescherming. Voor deze aftoetsing worden alle broedgevallen binnen het Vogelrichtlijngebied op LSO meegeteld, zowel binnen natuur-, haven- als landbouwgebieden.

Er kwamen in 2015 10 soorten broedvogels van de bijlage I tot broeden in het Vogelrichtlijngebied, waarvan 9 in de compensatiegebieden en 8 in de natuurkernstructuur.

Van de 21 broedvogels waarvoor natuurdoelen werden geformuleerd, haalden gemiddeld over de laatste vijf jaar (2011-2015) 9 soorten de natuurdoelen: Knobbelzwaan, Krakeend, Kuifeend en Oeverzwaluw (4/6 van ‘Plas en Oever’), Baardmannetje (1/4 van ‘Riet en Water’), Scholekster, Grutto en Tureluur (3/3 van de weidevogels) en Zwartkopmeeuw (1/8 van ‘Strand en Plas’). Voor Oeverzwaluw en Tureluur worden de natuurdoelen enkel gehaald door bijdragen van buiten de natuurkernstructuur.

Bruine Kiekendief, Strandplevier, Bontbekplevier, Kleine plevier, Kluut, Steltkluut, Visdief en Slobeend blijven globaal genomen nog het verst verwijderd van de natuurdoelen voor broedvogels. Vermits alle natuurtypen die voorzien zijn in de compensatiematrix en in de natuurkernstructuur van het Strategisch Plan voor de haven van Antwerpen potentieel foerageergebied zijn voor Bruine Kiekendief, zullen na realisatie en ontwikkeling van de natuurkernstructuur meer en grotere aaneengesloten stukken foerageergebied beschikbaar zijn. Kluut en vooral Visdief halen wel nog belangrijke broedaantallen op de Rechteroever.

De afstand tussen de behaalde aantallen binnen de natuurkernstructuur en de Europese natuurdoelen is het grootst voor de soorten van ‘Strand en Plas’.

Trends en bijdrage van de compensatiegebieden in het behalen van de natuurdoelen

16 soorten van de 21 kenden intussen binnen de natuurkernstructuur een stijgende trend, buiten de natuurkernstructuur was dit er slechts één. Buiten de natuurkernstructuur gingen acht soorten aantoonbaar achteruit, binnen de natuurkernstructuur was dit enkel Bruine kiekendief. 

Alle gebieden die permanent werden ingericht in het kader van het compensatieplan voor Deurganckdok maken integraal deel uit van de natuurkernstructuur. De realisatie van het compensatieplan heeft op die manier reeds sterk bijgedragen tot een evolutie in de richting van het behalen van de natuurdoelen. We zien immers dat 13 van de 16 soorten die in aantallen gestegen zijn, deze stijging zuiver binnen het compensatienetwerk hebben gerealiseerd. Buiten het compensatienetwerk stegen zij niet, 9 ervan gingen buiten het compensatienetwerk zelfs significant achteruit. 

Naast natuurdoelen voor broedvogels zijn er natuurdoelen voor 11 soorten overwinterende watervogels. Net zoals de voorgaande winters behalen alleen de Grauwe Gans en de Krakeend ruim de doelen. Het aandeel van de weidevogelgebieden Putten West en Doelpolder Noord voor overwinterende ganzen neemt intussen toe.

Bij de monitoring van de bijlage IV soorten in 2014 bleek dat

  • Rugstreeppad ook de leefgebieden binnen de golf van Kallo succesvol heeft gekoloniseerd, de grootste populatie werd geteld op de R2-vlakte; deze soort laat ook tientallen zingende mannetjes optekenen in gebieden als Putten West, Doelpolder Noord en Prosperpolder Noord
  • vleermuizen reeds gebruik maken van de nieuwe plassen, zoals Spaans Fort, Rietveld Kallo of Haasop oost,
  • de populatie Groenknolorchis in 2014 de hoogste aantallen haalde tot nog toe.

Uit de herkartering van de habitats kwam een achteruitgang van het riet naar voor in Groot Rietveld en Haasop. De begrazing in deze gebieden kan daar voor als oorzaak worden aangewezen. In beide gebieden zijn intussen maatregelen genomen om de begrazing te verminderen of om riet uit te rasteren. Het effect hiervan zal in de monitoring verder worden opgevolgd. Daarnaast moet in het Groot Rietveld de verbossing verder worden teruggedrongen. Ook de R2 vlakte en Verrebroekse plassen moeten worden ontbost. 

In de weidevogelgebieden Doelpolder Noord en Putten west zijn intussen pitrusvegetaties en uitgebreide rietkragen aanwezig in de sloten doorheen het gebied. Aanvullend op het begrazingsbeheer dienen deze elementen jaarlijks beheerd te worden om de openheid van het gebied te behouden.

In de tijdelijke strand- en plasgebieden dienen naast de eilanden, ook de omliggende zones jaarlijks volledig kort gezet worden. Dit om de aantrekkelijkheid voor steltlopers, meeuwen en sternen maximaal te houden.

In het Spaans fort is de rietontwikkeling nog beperkt tot een smalle oeverstrook. Naar het water toe zijn dieptes en peilen goed voor uitbreiding, maar om ook uitbreiding in de andere richting mogelijk te maken zal een gedeeltelijke herprofilering nodig zijn.

Voor Putten Weiden is een goed onderhoud van de afwatering essentieel. Dit houdt in dat de grachten weg van het gebied tijdig moeten worden geruimd om ze goed open te houden, dat de gracht in het gebied wordt open gehouden en dat de uitloop van de plas naar de gracht in het gebied voldoende ruim en open blijft om een goede doorstroming te verzekeren. De toestand van deze afwatering moet geregeld worden gecontroleerd om een voldoende werking ervan te verzekeren.

De Beheercommissie neemt deze aanbevelingen op met de betrokken instanties en het Agentschap voor Natuur en Bos stelt het beheer op het terrein waar nodig bij.

Uit de monitoring blijkt dat de Europese natuurdoelen (IHD) voor het Linkerscheldeoevergebied voor de meeste soorten nog niet gehaald worden. De Speciale Beschermingszones op LSO bevinden zich momenteel nog ver verwijderd van een zogenaamde ‘gunstige staat van instandhouding’. Dankzij het compensatieplan kon vermeden worden dat de bouw van het Deurganckdok deze met de jaren opgelopen achterstand nog zo vergroten.

Een belangrijk basisprincipe van het Strategisch Plan voor de haven van Antwerpen en het Geactualiseerd Sigmaplan is het proactief realiseren van de Europese natuurdoelen voor LSO in hoogwaardige natuurkerngebieden en zo de gunstige staat van instandhouding te bereiken, volledig onafhankelijk van terreinen voorzien voor haveninbreiding, -uitbreiding of landbouwactiviteiten. In deze situatie veroorzaken de in diezelfde plannen voorziene economische ontwikkelingen geen negatieve impact meer op de natuurwaarden. Zo voldoet Vlaanderen ten laatste tegen 2030 aan de uiteindelijke hoofdopdracht van de Europese richtlijnen, en kan de eerder rechtsonzekere, tijdrovende en als uitzondering bedoelde compensatieprocedure vermeden worden.

In overleg met de haven-, landbouw- en natuursector werd een praktische fasering of werkplanning uitgewerkt die ervoor zorgt dat de realisatie van natuur systematisch vooruitloopt op de geplande havenontwikkeling en dat de meest landbouwgevoelige zones zo lang mogelijk in landbouwgebruik kunnen blijven. De ruimtelijke afbakening in het GRUP heeft de voorbije jaren echter vertraging opgelopen. Daardoor geraken de mogelijkheden om binnen de bestaande bestemmingen oplossingen te zoeken uitgeput en dreigen grote op stapel staande havenprojecten vertraging op te lopen.

Om te garanderen dat de natuurkernstructuur proactief en systematisch gerealiseerd kan worden, en te vermijden dat verdere innames door havenontwikkeling een terugval in de populaties zouden veroorzaken, is het van groot belang dat de vooropgestelde fasering zo goed mogelijk gerespecteerd wordt in de realisatie.

Voorts dient er op gewezen te worden dat een maximale inrichting en optimale werking van de natuurkerngebieden nodig is om de vooropgestelde natuurdoelstellingen te halen. De dichtheden aan broedvogels waarmee gerekend wordt, zijn optimistisch en maximaal ingeschat. Het GRUP voorziet ook reserve-natuurgebieden (fase II), te ontwikkelen indien de doelen niet gehaald worden tegen 2028. Alle betrokken partijen streven er echter naar om de oppervlakteinname zo klein mogelijk te houden en deze gebieden niet te moeten aansnijden. Daarom is het van groot belang dat de nog te realiseren natuurgebieden (fase I) optimaal en tijdig ingericht worden.

Daarnaast is de bereidheid om in elke fase te blijven investeren in de verdere optimalisatie van reeds gerealiseerde gebieden van doorslaggevend belang en minstens gelijk aan het belang van de ruimte-inname zelf. Herstel van natuur is geen exacte wetenschap en vraagt daarom constante evaluatie en bijsturing. Een optimaal gebruik van de toegewezen oppervlakte is immers cruciaal om de grondinname ten koste van de landbouwsector maatschappelijk te verantwoorden, en op de meest kosten- en ruimte-efficiënte manier tot de natuurdoelen te komen.

Voor alle nieuwe natuurontwikkelingsprojecten werd nagegaan in hoeverre ze aansluiten bij de vooropgestelde fasering voor de realisatie van de natuurkernstructuur.

  • Het Rietveld Kallo is gerealiseerd sinds juni 2012. In 2013-2014 werden nog enkele optimalisaties doorgevoerd. In 2014-2015 werd riet aangeplant of overgebracht uit andere gebieden. Het riet wordt uitgerasterd om vraatschade in te perken. Het gebied begint reeds broedvogels aan te trekken.
  • Voor Prosperpolder Noord zijn de dijkwerken aan Vlaamse kant klaar en werd een nieuw pompstation gebouwd om de afwatering van de polders te verzekeren. Het binnengebied doet sinds 2012 succesvol dienst als tijdelijke opvang voor kust- en koloniebroeders die binnen het havengebied verder onder druk komen. Tegen augustus 2019 zullen ook de werken aan Nederlandse kant klaar zijn en kan de Hedwige-Prosperpolder in werking treden als estuarien gebied.
  • Voor het GGG Doelpolder is een inrichtingsplan opgemaakt. Een project-MER en een onteigeningsplan zijn goedgekeurd. De werken starten ten vroegste eind 2016 en zullen ongeveer twee jaar duren.
  • Voor Prosperpolder Zuid werd de studiefase afgerond en de bouwaanvraag ingediend. De werken kunnen van start zodra de vergunning verkregen is, vermoedelijk begin 2016.
  • Voor de Grote Geule loopt de opmaak van een integraal inrichtingsplan en project-MER. Alle aandachtspunten rond waterpeilbeheer, waterkwaliteit en suggesties rond recreatief medegebruik worden hierin meegenomen.
  • Voor Nieuw Arenbergpolder toonde een studie aan met welke inrichingsmaatregelen de gewenste verzilting bereikt kan worden. Uit een proefopzet blijkt intussen dat bestaande zilte vegetatie succesvol overgezet kan worden naar een nieuw geschikt gebied. Met deze gegevens werd het inrichtingsplan afgewerkt en de bouwvergunning angevraagd. De start van de werken is voorzien tegen eind 2016. Binnen het studiewerk voor het Saeftinghedok wordt een definitieve oplossing gezocht voor de (momenteel problematische) afwatering van de Nieuw en Oud Arenberpolder.

Om verder in lijn te blijven met de vooropgestelde fasering, dient de gestage voortgang van het studiewerk rond de Grote Geule en de vergunningsprocedure rond GGG Doelpolder de nodige prioriteit te krijgen. 

Sinds haar oprichting in 2002 staat de Beheercommissie in voor het opvolgen en begeleiden van de realisatie van de natuurcompensaties voor Deurganckdok en het historisch passief. In 2007 werd de bevoegdheid opengetrokken naar het opvolgen en begeleiden van de weg naar een 'gunstige staat van instandhouding' voor het hele Vogelrichtlijngebied.

De afbakening van natuurgebieden kwam niet tot stand in de Beheercommissie, maar binnen processen als het Strategisch Plan voor de haven van Antwerpen en het Geactualiseerd Sigmaplan. De rol van de Beheercommissie is om er over te waken dat de uitvoering van deze beslissingen in een open dialoog met alle betrokkenen op een zo gedragen mogelijke manier kan gebeuren. Elke organisatie speelt daarin zijn eigen rol: landbouworganisaties, natuurorganisaties, haveninstanties, gemeenten en overheden. Samen zoeken we waar mogelijk naar oplossingen zonder dat het behalen van de natuurdoelen daarbij in het gedrang komt.

De Europese Commissie gaf te kennen dat zij deze aanpak waardeert en evalueert regelmatig op basis van de rapportage door de Beheercommissie of Vlaanderen er effectief in slaagt om de havenuitbreiding op de Linkerscheldeoever te verzoenen met de instandhouding en het herstel van de internationaal belangrijke leefgebieden en soorten.

Een belangrijke taak voor de Beheercommissie is weggelegd in het opvolgen of de afgesproken fasering in de realisatie van de natuurkernstructuur gerespecteerd wordt. Binnen de vergaderingen ligt de nadruk dan ook op de opvolging van de voorbereidende stappen voor de nieuwe natuurkerngebieden. De opvolging en verdere optimalisatie van de reeds gerealiseerde natuurcompensaties i.h.k.v. het Deurganckdokproject wordt behartigd in een afzonderlijke werkgroep. De essentie wordt maandelijks teruggekoppeld naar de Beheercommissie.

Daarnaast fungeert de Beheercommissie gezien haar diverse samenstelling als begeleidingsforum voor verschillende processen zoals de opmaak van het Soortenbeschermingsprogramma Antwerpse haven, de uitrol van een grootschalig windturbineproject in de Waaslandhaven en het 'consensusvoorstel voor verlengde jacht in vogelrijk gebied'.

Alle instanties vertegenwoordigd binnen de Beheercommissie zijn zich bewust van de zware impact van de haven- en daarmee onlosmakelijk verbonden natuurontwikkeling op de streek. De Beheercommissie staat daarom achter een kwalitatieve streekontwikkeling en wil nog meer inzetten op recreatief medegebruik en toegankelijkheid van de natuurgebieden en een goede communicatie. De Beheercommissie fungeert regelmatig als 'broeikas' voor voorstellen rond streekontwikkeling en geeft deze door aan hogere overlegniveau's voor bekrachtiging en uitvoering (i.c. Werkgroep 'onthaal en recreatie' van het Centraal Netwerk). We trachten ook in te spelen op bezorgdheden van omwonenden. Zo werd in 2013-2014 binnen een afzonderlijke werkgroep de acute muggenproblematiek besproken, onderzocht en de nodige maatregelen in gang gezet.