Leefgebieden

Dit hoofdstuk bespreekt de verschillende tot doel gestelde leefgebieden of habitattypes op Linkerscheldeoever. Per leefgebied vindt u een overzicht van de gebieden, en het voorkomen en de evolutie van de bijhorende broedvogels.

Weight
4
Section Type
Node Types
Create Document Page
Create Habitat
Create Monitoringsbespreking
Override default section options

Riet en water

Beschrijving

Dit natuurtype wordt omschreven als bestaande uit 3/4 riet en 1/4 plas. Deze verhouding geldt als richtwaarde. Dit natuurtype is binnen dit SBZ vooral van belang voor rietvogels en reigerachtigen.

Plas en oever

Beschrijving

Dit natuurtype  wordt omschreven als bestaande uit 3/4 plas en 1/4 oever. Deze verhouding geldt als richtwaarde. Er is niet vastgelegd welk type van vegetatie op de oevers moet voorkomen. Er wordt van uitgegaan dat dit deels rietoevers en deels grazige oevers zijn. Dit natuurtype is binnen dit SBZ vooral van belang voor eendachtigen en watervogels, zowel als broedgebied als voor overwinterende en doortrekkende soorten.

Slik en schor

Beschrijving

Het slik is het gedeelte van de oever dat bij elke vloed overspoelt. Slechts weinig planten kunnen in deze omstandigheden groeien. Eenden en steltlopers fourageren er op wormen, krabben en kreeftjes. Bij ieder getij wordt een dun laagje slib afgezet waardoor slikken opslibben en langzamerhand boven de hoogwaterlijn uitsteken.

Schorren overspoelen enkel bij springtij. Deze getijdenwerking veroorzaakt opslibbing op de ene plaats en erosie op de andere. De schorranden kunnen afkalven, centraal ontstaan geulen en tegelijk ontstaan nieuwe stukjes schor. Dit dynamisch milieu herbergt een aangepaste flora en fauna. Er groeien plantensoorten die een tijdelijke overstroming – zelfs met zout of brak water – goed verdragen. In het brakke deel van het estuarium herbergen deze gebieden de Europese habitattypes 1310 (slikken met zeekraal), 1320 (schorren met slijkgras) en 1330 (schorren). 

Binnen dit natuurtype kunnen drie subtypes worden onderscheiden met specifiek belang voor avifauna: Rietschor, Begraasd schor en Slikken met eilanden.

Natuurweide

Beschrijving

Dit natuurtype omvat natte graslanden, waar optimaal de watertafel in het broedseizoen slechts 25 cm beneden het maaiveld staat. Dit natuurtype is binnen dit SBZ vooral van belang als broed- en foerageergebied voor weidevogels, als rust- en overwinteringsgebied voor ganzen en watervogels, als beschermd en ideaal habitat voor zoutminnende planten (1330-Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae), subtype binnendijkse zilte vegetaties).

Surrogaat kust

Beschrijving

Dit natuurtype wordt omschreven als bestaande uit zandvlakte, eventueel met pionierbegroeiing, gecombineerd met plassen. Het omvat met andere woorden de allereerste ontwikkelingsstadia op zandige grond. Onder pioniervegetatie verstaan we de eerste kolonisatiestadia van planten, waarbij open grond tussen de begroeiing duidelijk aanwezig blijft. Plassen in dit natuurtype bestaan minstens voor een deel uit ondiep water. Er is geen verhouding tussen de verschillende delen vastgelegd, maar ze moeten allen wel aanwezig zijn. De optimale verhouding verschilt sterk van doelsoort tot doelsoort, en kan dus best ook variëren. Dit natuurtype is binnen dit SBZ vooral van belang als surrogaat broed- en foerageergebied voor kust- en koloniebroeders, en als pioniershabitat voor  soorten als Rugstreeppad.

Braakliggende haventerreinen

Beschrijving

Het havenlandschap herbergt nog belangrijke aantallen broedvogels. Deze locaties zijn niet duurzaam en zullen bij de verdere voorziene havenontwikkeling verdwijnen. Tegen dan moet er binnen de natuurbestemmingen voldoende functioneel leefgebied voor deze soorten beschikbaar zijn. Het havengebied blijft echter van belang voor een aantal soorten zoals Rugstreeppad en Groenknolorchis die gebonden zijn aan de specifieke pionierssituaties of andere natuurtypes die er voorkomen.

Actueel herbergt het havenlandschap nog belangrijke aantallen broedvogels. Deze locaties zijn echter niet duurzaam en zullen bij de verdere voorziene havenontwikkeling komen te verdwijnen. Op dat moment dient binnen natuurbestemmingen voldoende functioneel habitat voor de betrokken soorten aanwezig te zijn. Het havengebied blijft echter van belang voor een aantal soorten die gebonden zijn aan de specifieke pionierssituaties of andere natuurtypes die er voorkomen, zoals Rugstreeppad, Groenknolorchis, …

Polders

Beschrijving

In het polderlandschap komen nog zeer weinig soorten effectief tot broeden. De waterhuishouding en de periode waarin de grond bewerkt wordt zijn er afgestemd op de landbouw. Door het gebruik van pesticiden is er weinig voedsel aanwezig. Voor bepaalde oppervlaktebehoevende soorten zoals Bruine Kiekendief kan een (op vrijwilligheid gebaseerde) verhoging van de biodiversiteit en het voedselaanbod in het polderlandschap echter een belangrijke bijdrage leveren aan de instandhouding van de soort.