Monitoring – aftoetsing aan compensatiedoelstellingen

Monitoringsjaar
2017

In de voorbije jaarverslagen van 2003 tot en met 2012 werd telkens afgetoetst in welke mate reeds aan de doelstellingen van de compensatiematrix voor het Deurganckdok en het Historisch Passief is voldaan. Deze compensatiedoelstellingen geven aan welke oppervlaktes van welke habitattypes nodig zijn om op te vangen wat verloren ging bij het Deurganckdokproject, en in welke gebieden deze gerealiseerd kunnen worden.

Vermits een groot deel van de compensaties bedoeld is voor vogels, werden door het INBO expliciete doelstellingen voor broedvogels opgesteld voor de compensaties voor het Deurganckdok. Hiervoor werd uitgegaan van een inschatting van de aantallen die aanwezig waren voor de start van de werken aan het Deurganckdok, gebaseerd op het MER. Een beschrijving van de berekening van deze aantallen werd opgenomen in een vroeger jaar­rapport (Spanoghe et al. 2005). Het behalen van deze compensatiedoelstellingen vermijdt dus verdere achteruitgang van de beschermde soorten en leefgebieden ten opzichte van de toestand vóór de ingrepen afgedekt door het compensatieplan.

Om te evalueren of deze doelstellingen worden gehaald, wordt de toename van de aan­tallen broedparen ten opzichte van het eerste monitoringjaar (2003) bepaald en samengeteld. Het jaar 2003 is een goed referentiejaar omdat toen nog geen enkel compensatiegebied was in­gericht. 

De gebieden die mee in rekening werden gebracht zijn de compensatiegebieden die werden aangeduid als compensatie voor het Deurganckdok, de site Deurganckdok zelf, de aanvullende strand- en plasgebieden, en Rietveld Kallo omdat daar een deel compensatie voor Steenlandpolder en Haasop is voorzien.

Aftoetsing aan de compensatiedoelen in oppervlakte

  • Voor weidevogelgebied werden de nodige inrichtingen uitgevoerd in alle doelgebieden, en is het nodige grasareaal aanwezig. 
  • Voor plas en oever is de compensatie voldaan door aanleg van Drijdijck en opname van de Verrebroekse Plassen in de compensatiegebieden.
  • Voor slik en schor is de oppervlaktecompensatie slechts half gerealiseerd. Het Paardenschor is gerealiseerd, maar de Brakke Kreek staat niet onder getij invloed, omdat de bouw van de inwateringsconstructie wordt gecombineerd met de nodige inlaatconstructie voor het GGG Doelpolder.
  • Voor strand en plas is in de compensatiematrix 200 hectare voorzien, verdeeld over het gedempt deel van het Doeldok, de opgespoten MIDA en de Vlakte van Zwijndrecht. Verder is dit habitattype op verschillende andere plaatsen in de haven aanwezig, vermits het bij uitvoering van werken snel ontstaat. Voorwaarde om als broedgebied in aanmerking te komen is wel dat het gebied tijdens het broedseizoen verstoringsvrij wordt gehouden. Sinds 2005 maakt de Beheercommissie jaarlijks een balans van de beschikbare gebieden. Om de 200 hectare te blijven halen ondanks de groeiende druk op de tijdelijke broedgebieden binnen de haven, werd onder meer Propserpolder Noord voorzien van eilanden. Door deze jaarlijkse inspanning kan gesteld worden dat de oppervlaktecompensatie voor strand en plas gerealiseerd is.
  • Voor riet en water werd Steenlandpolder ingericht en is het beoogde rietareaal er ook ontwikkeld. In de Zoetwaterkreek is het riet nog niet aanwezig. Omdat een deel van Drijdijck mogelijk betere potenties hiervoor heeft, werd een deel van dit gebied uit het begrazingsraster gehaald. Riet moet er echter nog verder ontwikkelen. De oppervlaktedoelstelling voor riet en water is dus nog niet gehaald.

Aftoetsing aan de compensatiedoelen in aantallen broedparen

  • Bij de soorten van riet en water wordt de doestelling niet gehaald voor Bruine Kiekendief, Waterral en Sprinkhaanzanger, wel voor de overige vijf soorten. Voor de soorten die de doelstelling halen, moet worden vermeld dat de Verrebroekse Plassen een belangrijke bijdrage leveren. Bruine Kiekendief haalt de doelstelling niet, deze soort kent een sterke achteruitgang in het ganse Linkerscheldeoevergebied. Waterral komt vooral voor in Groot Rietveld, Haasop en Schor Ouden Doel (geen compensatiegebied) en lijkt op gans Linkeroever wel enigszins vooruit te gaan. Deze soort haalde in de betrokken compensatiegebieden in 2015 en 2016 de hoogste aantallen sinds het begin van de monitoring.
  • Bij soorten van strand en plas worden gemiddeld over de laatste vijf jaar voor alle soorten de compensatiedoelstellingen gehaald, behalve voor Visdief die sinds het verdwijnen van de kolonie op de site Deurganckdok de compensatiedoelstellingen niet meer haalt. 
  • Bij de weidevogels worden de compensatiedoelstellingen gehaald voor Tureluur en Grutto, maar niet voor Scholekster en Kievit. Beide soorten haalden de doelstelling wel in 2010 en 2011, maar daarna niet meer. Ook gemiddeld over de laatste vijf jaar halen zij de doelstelling daardoor niet. Toegenomen predatiedruk kan hier mee een oorzaak van zijn. Bij deze soortengroep moet wel worden opgemerkt dat de aantallen in de Kruibeekse polder nog zeer laag zijn. Hier is zeker nog verdere optimalisatie van het gebied nodig.
  • Voor het habitattypes plas en oever en slik en schor werden geen broedvogel­doelstellingen opgesteld. Het eerste is vooral bedoeld als compensatie voor overwinterende watervogels. Het tweede is een compensatie voor verlies aan habitat van de bijlage I van de habitatrichtlijn.